Menu

Surah Al-Qamar

De Maan

Chapter 54 of 114

Prachtige koranrecitatie

Surah Al-Qamar

Recited by Salaah Bukhaatir

Overview

About this Surah

The Surah is so designated after the first sentence.

At a glance

Surah 54 of 114

Translation
Dutch
Recitation
Salaah Bukhaatir

Ask the AI about this Surah

Commentary

Tafsir

<h2>Name</h2>
<p>The Surah is so designated after the first sentence.</p>
<h2>Period of Revelation</h2>
<p>Its subject matter so closely resembles that of Surah Ad-Duha that both these Surah seem to have been revealed in about the same period under similar conditions. According to Hadrat Abdullah bin Abbas, it was sent down in Makkah just after wad-Duha.</p>
<h2>Theme and Subject Matter</h2>
<p>The aim and object of this Surah too is to console and encourage the Holy Messenger (upon whom be Allah's peace). Before his call he never had to encounter the conditions which he suddenly had to encounter after it when he embarked on his mission of inviting the people to Islam. This was by itself a great revolution in his own life of which he had no idea in his life before Prophethood. No sooner had he started preaching the message of Islam than the same society which had esteemed him with unique honor, turned hostile to him. The same relatives and friends, the same clansmen and neighbors, who used to treat him with the highest respect, began to shower him with abuse and invective. No one in Makkah was prepared to listen to him; he began to be ridiculed and mocked in the street and on the road; and at every step he had to face new difficulties. Although gradually he became accustomed to the hardships, even much severer ones, yet the initial stage was very discouraging for him.
That is why first Surah Ad-Duha was sent down to console him, and then this Surah.</p>
<p>In it, at the outset, Allah says: "We have favored you, O Prophet, with three great blessings; therefore you have no cause to be disheartened. The first is the blessing of <em>Sharh Sadr</em> (opening up of the breast), the second of removing from you the heavy burden that was weighing down your back before the call, and the third of exalting your renown the like of which has never been granted to any man before. Further below in the notes we have explained what is implied by each of these blessings and how great and unique these blessings indeed are!</p>
<p>After this, the Lord and Sustainer of the universe has reassured His Servant and Messenger (upon whom be peace) that the period of hardships which he is passing through, is not very long, but following close behind it there is also a period of ease. This same thing has been described in Surah Ad-Duha, saying: "Every later period is better for you than the former period, and soon your Lord will give you so much that you will be well pleased."</p>
<p>In conclusion, the Holy Prophet has been instructed, so as to say, "You can develop the power to bear and resist the hardships of the initial stage only by one means, and it is this: \`When you are free from your occupations, you should devote yourself to the labor and toil of worship, and turn all your attention exclusively to your Lord'."This same instruction has been given him in much greater detail in <a href=/73/1-9>Surah Al-Muzzammil: 1-9</a>.</p>

Verse by verse

Surah Al-Qamar · De Maan

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ

  1. Ayah 1

    بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَـٰنِ الرَّحِيمِ اقْتَرَبَتِ السَّاعَةُ وَانشَقَّ الْقَمَرُ

    Het uur des oordeels nadert en de maan is gespleten.

  2. Ayah 2

    وَإِن يَرَوْا آيَةً يُعْرِضُوا وَيَقُولُوا سِحْرٌ مُّسْتَمِرٌّ

    Maar als de ongeloovigen een teeken zien, wenden zij zich af, zeggende: dit is eene machtige betoovering.

  3. Ayah 3

    وَكَذَّبُوا وَاتَّبَعُوا أَهْوَاءَهُمْ ۚ وَكُلُّ أَمْرٍ مُّسْتَقِرٌّ

    En zij beschuldigen u, o Mahomet! van bedrog, en volgen hunne eigene lusten: maar ieder ding zal onveranderlijk bepaald wezen.

  4. Ayah 4

    وَلَقَدْ جَاءَهُم مِّنَ الْأَنبَاءِ مَا فِيهِ مُزْدَجَرٌ

    En nu is eene zending tot hen gekomen, waarin eene afschrikking voor hardnekkig ongeloof ligt opgesloten.

  5. Ayah 5

    حِكْمَةٌ بَالِغَةٌ ۖ فَمَا تُغْنِ النُّذُرُ

    Deze wijsheid is volkomen; maar waarschuwers helpen bij hen niet.

  6. Ayah 6

    فَتَوَلَّ عَنْهُمْ ۘ يَوْمَ يَدْعُ الدَّاعِ إِلَىٰ شَيْءٍ نُّكُرٍ

    Wend u dus van hen af! Den dag waarop de dagvaardende engel den mensch tot eene verschrikkelijke zaak zal oproepen.

  7. Ayah 7

    خُشَّعًا أَبْصَارُهُمْ يَخْرُجُونَ مِنَ الْأَجْدَاثِ كَأَنَّهُمْ جَرَادٌ مُّنتَشِرٌ

    Zullen zij met nedergeslagen blikken uit hunne graven komen, talrijk, als verspreide sprinkhanen.

  8. Ayah 8

    مُّهْطِعِينَ إِلَى الدَّاعِ ۖ يَقُولُ الْكَافِرُونَ هَـٰذَا يَوْمٌ عَسِرٌ

    Zich met schrik naar den dagvaarder spoedende. De ongeloovigen zullen zeggen: Dit is een dag van droefheid.

  9. Ayah 9

    كَذَّبَتْ قَبْلَهُمْ قَوْمُ نُوحٍ فَكَذَّبُوا عَبْدَنَا وَقَالُوا مَجْنُونٌ وَازْدُجِرَ

    Het volk van Noach beschuldigde dien profeet, alvorens uw volk u verwierp, het beschuldigde onzen dienaar van bedrog; zeggende: Hij is een bezetene, en hij werd met verwijtingen verworpen.

  10. Ayah 10

    فَدَعَا رَبَّهُ أَنِّي مَغْلُوبٌ فَانتَصِرْ

    Hij riep daarom zijn Heer aan, zeggende: Waarlijk, ik ben overweldigd: wreek mij dus.

  11. Ayah 11

    فَفَتَحْنَا أَبْوَابَ السَّمَاءِ بِمَاءٍ مُّنْهَمِرٍ

    Daarop openden wij de poorten des hemels, waaruit het water stroomde.

  12. Ayah 12

    وَفَجَّرْنَا الْأَرْضَ عُيُونًا فَالْتَقَى الْمَاءُ عَلَىٰ أَمْرٍ قَدْ قُدِرَ

    Wij deden de aarde waterstralen uitwerpen, zoodat het water van hemel en aarde zich vereenigde, overeenkomstig het vastgestelde besluit.

  13. Ayah 13

    وَحَمَلْنَاهُ عَلَىٰ ذَاتِ أَلْوَاحٍ وَدُسُرٍ

    Wij droegen hem, op een schip, uit planken en spijkers samengesteld.

  14. Ayah 14

    تَجْرِي بِأَعْيُنِنَا جَزَاءً لِّمَن كَانَ كُفِرَ

    Dat zich voor onze oogen voortbewoog, als eene belooning voor hem, die ondankbaar was verworpen.

  15. Ayah 15

    وَلَقَد تَّرَكْنَاهَا آيَةً فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Wij lieten dat schip tot een teeken dienen. Maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  16. Ayah 16

    فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ

    En hoe gestreng was mijne wraak en mijne bedreiging!

  17. Ayah 17

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Nu hebben wij den Koran gemakkelijk tot eene waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  18. Ayah 18

    كَذَّبَتْ عَادٌ فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ

    De stam van Ad beschuldigde hunnen profeet van bedrog; maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging!

  19. Ayah 19

    إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ رِيحًا صَرْصَرًا فِي يَوْمِ نَحْسٍ مُّسْتَمِرٍّ

    Waarlijk, wij zonden, op een dag van voortdurend ongeluk een brullenden wind tegen hen.

  20. Ayah 20

    تَنزِعُ النَّاسَ كَأَنَّهُمْ أَعْجَازُ نَخْلٍ مُّنقَعِرٍ

    Die de menschen wegvoerde, als waren zij met kracht uitgescheurde wortels van palmboomen.

  21. Ayah 21

    فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ

    En hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging!

  22. Ayah 22

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  23. Ayah 23

    كَذَّبَتْ ثَمُودُ بِالنُّذُرِ

    Die van Thamoed beschuldigden de vermaningen van hunnen profeet van valschheid.

  24. Ayah 24

    فَقَالُوا أَبَشَرًا مِّنَّا وَاحِدًا نَّتَّبِعُهُ إِنَّا إِذًا لَّفِي ضَلَالٍ وَسُعُرٍ

    En zij zeiden: Zullen wij een enkel man als wij, onder ons volgen? Waarlijk, wij zouden aan dwaling en ongerijmde dwaasheid schuldig zijn.

  25. Ayah 25

    أَأُلْقِيَ الذِّكْرُ عَلَيْهِ مِن بَيْنِنَا بَلْ هُوَ كَذَّابٌ أَشِرٌ

    Zou de taak van waarschuwing hem, boven het overige gedeelte van ons, opgedragen zijn? Neen, hij is een leugenaar en een onbeschaamde bedrieger.

  26. Ayah 26

    سَيَعْلَمُونَ غَدًا مَّنِ الْكَذَّابُ الْأَشِرُ

    Maar God zeide tot Saleh: Morgen zullen zij weten wie een leugenaar en een onbeschaamde is;

  27. Ayah 27

    إِنَّا مُرْسِلُو النَّاقَةِ فِتْنَةً لَّهُمْ فَارْتَقِبْهُمْ وَاصْطَبِرْ

    Want wij zullen zekerlijk de wijfjes-kameel zenden, om hen te beproeven; en gij, sla hen gade, en verdraag hunne beleedigingen met geduld.

  28. Ayah 28

    وَنَبِّئْهُمْ أَنَّ الْمَاءَ قِسْمَةٌ بَيْنَهُمْ ۖ كُلُّ شِرْبٍ مُّحْتَضَرٌ

    Voorspel hun, dat het water der putten tusschen hen zal worden verdeeld, en ieder deel zal beurtelings nedergezet worden.

  29. Ayah 29

    فَنَادَوْا صَاحِبَهُمْ فَتَعَاطَىٰ فَعَقَرَ

    Zij riepen hunnen makker, en hij nam een zwaard en doodde haar,

  30. Ayah 30

    فَكَيْفَ كَانَ عَذَابِي وَنُذُرِ

    Maar hoe ernstig was mijne wraak en mijne bedreiging!

  31. Ayah 31

    إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ صَيْحَةً وَاحِدَةً فَكَانُوا كَهَشِيمِ الْمُحْتَظِرِ

    Want wij zonden hun een enkelen kreet van den engel Gabriël te gemoet, en zij werden als de droge stokken, die gebruikt worden door dengeen, welke een kooi voor het vee bouwt.

  32. Ayah 32

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    En thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  33. Ayah 33

    كَذَّبَتْ قَوْمُ لُوطٍ بِالنُّذُرِ

    Het volk van Lot beschuldigde zijne prediking van valschheid.

  34. Ayah 34

    إِنَّا أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمْ حَاصِبًا إِلَّا آلَ لُوطٍ ۖ نَّجَّيْنَاهُم بِسَحَرٍ

    Maar wij zonden een wind tegen hen, die eene regenbui van steenen voortdreef, welke hen allen verdelgde, behalve het gezin van Lot, dat wij vroeg in den ochtend bevrijdden.

  35. Ayah 35

    نِّعْمَةً مِّنْ عِندِنَا ۚ كَذَٰلِكَ نَجْزِي مَن شَكَرَ

    Dit was door onze gunst. Zoo beloonen wij hen, die dankbaar zijn.

  36. Ayah 36

    وَلَقَدْ أَنذَرَهُم بَطْشَتَنَا فَتَمَارَوْا بِالنُّذُرِ

    En Lot had hen gewaarschuwd voor onze gestrenge kastijding; maar zij twijfelden aan die waarschuwing.

  37. Ayah 37

    وَلَقَدْ رَاوَدُوهُ عَن ضَيْفِهِ فَطَمَسْنَا أَعْيُنَهُمْ فَذُوقُوا عَذَابِي وَنُذُرِ

    Zij eischten zijne gasten, opdat zij hen zouden misbruiken; maar wij staken hunne oogen uit, zeggende: Proeft mijne wraak en mijne bedreiging.

  38. Ayah 38

    وَلَقَدْ صَبَّحَهُم بُكْرَةً عَذَابٌ مُّسْتَقِرٌّ

    En vroeg in den ochtend verraste hen eene zware straf.

  39. Ayah 39

    فَذُوقُوا عَذَابِي وَنُذُرِ

    Proeft dus mijne wraak en mijne bedreiging.

  40. Ayah 40

    وَلَقَدْ يَسَّرْنَا الْقُرْآنَ لِلذِّكْرِ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Thans hebben wij den Koran gemakkelijk ter waarschuwing, gemaakt; maar is iemand daardoor gewaarschuwd?

  41. Ayah 41

    وَلَقَدْ جَاءَ آلَ فِرْعَوْنَ النُّذُرُ

    De vermaning van Mozes kwam mede tot het volk van Pharao,

  42. Ayah 42

    كَذَّبُوا بِآيَاتِنَا كُلِّهَا فَأَخَذْنَاهُمْ أَخْذَ عَزِيزٍ مُّقْتَدِرٍ

    Maar zij beschuldigden al onze teekenen van bedrog; daarom kastijdden wij hem met eene machtige en onwederstaanbare kastijding.

  43. Ayah 43

    أَكُفَّارُكُمْ خَيْرٌ مِّنْ أُولَـٰئِكُمْ أَمْ لَكُم بَرَاءَةٌ فِي الزُّبُرِ

    O bewoners van Mekka! zijn uwe ongeloovigen beter dan deze? Is u in de schriften vrijstelling van straf beloofd?

  44. Ayah 44

    أَمْ يَقُولُونَ نَحْنُ جَمِيعٌ مُّنتَصِرٌ

    Zeggen zij: wij vormen een lichaam van menschen, die in staat zijn onze vijanden te bemeesteren?

  45. Ayah 45

    سَيُهْزَمُ الْجَمْعُ وَيُوَلُّونَ الدُّبُرَ

    De menigte zal zekerlijk op de vlucht worden gejaagd en zij zullen hunne ruggen omkeeren.

  46. Ayah 46

    بَلِ السَّاعَةُ مَوْعِدُهُمْ وَالسَّاعَةُ أَدْهَىٰ وَأَمَرُّ

    Maar het uur des oordeels is hun bedreigde straftijd, en dat uur zal droeviger en bitterder zijn, dan hunne droefheden in dit leven.

  47. Ayah 47

    إِنَّ الْمُجْرِمِينَ فِي ضَلَالٍ وَسُعُرٍ

    Waarlijk, de zondaar doolt in dwaling rond, en zal hier namaals in brandende vlammen worden gemarteld.

  48. Ayah 48

    يَوْمَ يُسْحَبُونَ فِي النَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمْ ذُوقُوا مَسَّ سَقَرَ

    Op dien dag zullen zij met hunne aangezichten in het vuur worden geworpen, en men zal hun zeggen: Proeft de aanraking der hel.

  49. Ayah 49

    إِنَّا كُلَّ شَيْءٍ خَلَقْنَاهُ بِقَدَرٍ

    Alle dingen hebben wij geschapen, aan een bepaald besluit gebonden.

  50. Ayah 50

    وَمَا أَمْرُنَا إِلَّا وَاحِدَةٌ كَلَمْحٍ بِالْبَصَرِ

    En ons bevel bestaat slechts in een enkel woord, aan een oogwenk gelijk.

  51. Ayah 51

    وَلَقَدْ أَهْلَكْنَا أَشْيَاعَكُمْ فَهَلْ مِن مُّدَّكِرٍ

    Wij hebben vroeger volken verdelgd, die u gelijk waren; maar is iemand uwer door hun voorbeeld gewaarschuwd?

  52. Ayah 52

    وَكُلُّ شَيْءٍ فَعَلُوهُ فِي الزُّبُرِ

    Alles wat gij doet, is in het boek vermeld, dat door de wakende engelen wordt bewaard.

  53. Ayah 53

    وَكُلُّ صَغِيرٍ وَكَبِيرٍ مُّسْتَطَرٌ

    Elke daad, klein of groot, is op de welbewaarde tafel nedergeschreven.

  54. Ayah 54

    إِنَّ الْمُتَّقِينَ فِي جَنَّاتٍ وَنَهَرٍ

    De vromen zullen echter te midden van tuinen en meren wonen.

  55. Ayah 55

    فِي مَقْعَدِ صِدْقٍ عِندَ مَلِيكٍ مُّقْتَدِرٍ

    In de vergadering der waarheid, in tegenwoordigheid van den machtigsten koning.

About the Quran

The Quran

The Quran is the holy scripture of Islam. Muslims believe that it is the literal word of Allah (سُبْحَانَهُ وَتَعَالَى), revealed to the Prophet Muhammad (صلى الله عليه وسلم) over a period of 23 years. The Quran is composed of 114 Surahs (chapters) and contains 6,236 Ayat (verses). Muslim beliefs and practices are based on the Quran and the Sunnah, the teachings and example of the Prophet Muhammad (صلى الله عليه وسلم).

The Kaaba in Mecca
A mosque in South America

Meccan Surahs

The Meccan Surahs are the earliest revelations sent down to the Prophet Muhammad (صلى الله عليه وسلم). They were revealed in Mecca, hence their name. These revelations form the foundation of the Islamic faith and contain guidance for Muslims on how to live their lives. The Meccan Surahs are also notable for their poetic beauty and lyrical prose.

Medinan Surahs

The Medinan Surahs are the later Surahs that, according to Islamic tradition, were revealed in Medina after the Prophet Muhammad's (صلى الله عليه وسلم) hijra from Mecca. They were revealed by Allah (سبحانه و تعالى) when the Muslim community was larger and more developed, as opposed to their minority position in Mecca.

Stay connected

Receive regular updates

New features, translations and reminders from AskTheQuran, straight to your inbox.

We use Mailchimp to send updates. You can unsubscribe at any time. See our privacy policy.

We may receive a commission if you click on a link and buy a product, service or similar, at no extra cost to you. Details are in the disclosure policy.