Menu

Surah Al-Hijr

De Rotsachtige Streek

Chapter 15 of 114

Prachtige koranrecitatie

Surah Al-Hijr

Recited by Salaah Bukhaatir

Overview

About this Surah

This Surah takes its name from v. 80.

At a glance

Surah 15 of 114

Translation
Dutch
Recitation
Salaah Bukhaatir

Ask the AI about this Surah

Commentary

Tafsir

<h2>Name</h2>
<p>This Surah takes its name from <a href=/15/80>v. 80</a>.</p>
<h2>Period of Revelation</h2>
<p>It is clear from its topics and style that the period of its revelation is about the same as that of Surah Ibrahim, for two things are quite prominent in its background. First, it appears from the repeated warnings in this Surah that in spite of the fact that the Holy Prophet had been propagating the Message for many years, his people in general had not shown any inclination towards its acceptance nay, they had become more and more obdurate and stubborn in their antagonism, enmity and ridicule with the passage of time. Secondly, by that time the Holy Prophet had begun to feel a little tired of making strenuous efforts to eradicate disbelief and opposition of his people. That is why Allah has consoled and comforted him over and over again by way of encouragement.</p>
<h2>Topics and the Central Theme</h2>
<p>Though the main topics of the surah are:</p>
<ol>
<li>
<p>warning to those who rejected his Message, opposed it tooth and nail, and ridiculed him, and</p>
</li>
<li>
<p>comfort and encouragement to the Holy Prophet,</p>
</li>
</ol>
<p>It does not mean that this Surah does not contain admonition and instructions. As a matter of fact, the Quran never confines itself to mere warning; rebuke and censure, but resorts to precept in every suitable place. Accordingly, this Surah contains brief arguments for <em>Tauhid</em> on the one hand, and admonition in the story of Adam and Satan on the other.</p>

Verse by verse

Surah Al-Hijr · De Rotsachtige Streek

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ

  1. Ayah 1

    بِسْمِ اللَّهِ الرَّحْمَـٰنِ الرَّحِيمِ الر ۚ تِلْكَ آيَاتُ الْكِتَابِ وَقُرْآنٍ مُّبِينٍ

    E. L. R. Dit zijn de teekens van het boek en van den duidelijken Koran.

  2. Ayah 2

    رُّبَمَا يَوَدُّ الَّذِينَ كَفَرُوا لَوْ كَانُوا مُسْلِمِينَ

    De tijd zal komen, waarop de ongeloovigen zullen wenschen, dat zij Moslems mochten zijn geweest.

  3. Ayah 3

    ذَرْهُمْ يَأْكُلُوا وَيَتَمَتَّعُوا وَيُلْهِهِمُ الْأَمَلُ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ

    Sta hun toe te eten en te genieten in deze wereld, en laat hun hoop voeden; doch hierna zullen zij hunne dwaasheid kennen.

  4. Ayah 4

    وَمَا أَهْلَكْنَا مِن قَرْيَةٍ إِلَّا وَلَهَا كِتَابٌ مَّعْلُومٌ

    Wij hebben geene stad verwoest, zonder dat een vastgestelde tijd van berouw voor haar bepaald werd.

  5. Ayah 5

    مَّا تَسْبِقُ مِنْ أُمَّةٍ أَجَلَهَا وَمَا يَسْتَأْخِرُونَ

    Geen volk zal gestraft worden voordat zijn tijd zal zijn gekomen, en deze zal niet worden verschoven.

  6. Ayah 6

    وَقَالُوا يَا أَيُّهَا الَّذِي نُزِّلَ عَلَيْهِ الذِّكْرُ إِنَّكَ لَمَجْنُونٌ

    De bewoners van Mekka zeggen tot Mahomet: O gij! wien de vermaning werd nedergezonden, gij zijt zekerlijk door den duivel bezeten.

  7. Ayah 7

    لَّوْ مَا تَأْتِينَا بِالْمَلَائِكَةِ إِن كُنتَ مِنَ الصَّادِقِينَ

    Zoudt gij niet met een gevolg van engelen tot ons zijn gekomen, indien gij de waarheid hadt gesproken?

  8. Ayah 8

    مَا نُنَزِّلُ الْمَلَائِكَةَ إِلَّا بِالْحَقِّ وَمَا كَانُوا إِذًا مُّنظَرِينَ

    Antwoord: Wij zenden geene engelen neder, dan bij eene voegzame gelegenheid. Dan zullen de ongeloovigen niet meer worden uitgesteld.

  9. Ayah 9

    إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ

    Waarlijk, wij hebben den Koran nedergezonden, en wij zullen dien zekerlijk voor vervalsching behoeden.

  10. Ayah 10

    وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا مِن قَبْلِكَ فِي شِيَعِ الْأَوَّلِينَ

    Wij hebben vroeger, vóór u, gezanten tot de oude secten gezonden.

  11. Ayah 11

    وَمَا يَأْتِيهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا كَانُوا بِهِ يَسْتَهْزِئُونَ

    En er kwam geen gezant tot hen, dien zij niet tot het voorwerp hunner spotternijen maakten.

  12. Ayah 12

    كَذَٰلِكَ نَسْلُكُهُ فِي قُلُوبِ الْمُجْرِمِينَ

    Evenzoo zullen wij de harten der zondige bewoners van Mekka er toe brengen, hunnen profeet te bespotten.

  13. Ayah 13

    لَا يُؤْمِنُونَ بِهِ ۖ وَقَدْ خَلَتْ سُنَّةُ الْأَوَّلِينَ

    Zij zullen niet in hem gelooven niettegenstaande de straf der volkeren reeds vroeger werd uitgevoerd.

  14. Ayah 14

    وَلَوْ فَتَحْنَا عَلَيْهِم بَابًا مِّنَ السَّمَاءِ فَظَلُّوا فِيهِ يَعْرُجُونَ

    Indien wij hun de poorten der hemelen zouden ontsluiten, en zij reeds gereed zouden zijn daar binnen te gaan.

  15. Ayah 15

    لَقَالُوا إِنَّمَا سُكِّرَتْ أَبْصَارُنَا بَلْ نَحْنُ قَوْمٌ مَّسْحُورُونَ

    Zouden zij veeleer uitroepen: Onze oogen zijn slechts verblind door dronkenschap, of wij bevinden ons onder den indruk eener zinsbeguicheling.

  16. Ayah 16

    وَلَقَدْ جَعَلْنَا فِي السَّمَاءِ بُرُوجًا وَزَيَّنَّاهَا لِلنَّاظِرِينَ

    Wij hebben de twaalf teekens in den hemel geplaatst en die in verschillende vormen voorgesteld voor hen, die acht geven.

  17. Ayah 17

    وَحَفِظْنَاهَا مِن كُلِّ شَيْطَانٍ رَّجِيمٍ

    Wij verdedigen deze tegen de aanslagen van iederen duivel welke met steenworpen werd teruggedreven.

  18. Ayah 18

    إِلَّا مَنِ اسْتَرَقَ السَّمْعَ فَأَتْبَعَهُ شِهَابٌ مُّبِينٌ

    Behalve hij, die aansluipt om te luisteren, en op wien dan eene zichtbare vlam wordt afgeschoten.

  19. Ayah 19

    وَالْأَرْضَ مَدَدْنَاهَا وَأَلْقَيْنَا فِيهَا رَوَاسِيَ وَأَنبَتْنَا فِيهَا مِن كُلِّ شَيْءٍ مَّوْزُونٍ

    Wij hebben ook de aarde uitgespreid en vaste bergen daarop geplaatst, en wij hebben alle planten in eene bewonderingswaardige orde daaruit doen spruiten.

  20. Ayah 20

    وَجَعَلْنَا لَكُمْ فِيهَا مَعَايِشَ وَمَن لَّسْتُمْ لَهُ بِرَازِقِينَ

    En wij hebben daarop levensbehoeften voor u geplaatst en voor de wezens, welke gij niet onderhoudt.

  21. Ayah 21

    وَإِن مِّن شَيْءٍ إِلَّا عِندَنَا خَزَائِنُهُ وَمَا نُنَزِّلُهُ إِلَّا بِقَدَرٍ مَّعْلُومٍ

    Er is geene zaak, waarvan de voorraadschuren niet in onze handen zijn, en wij deelen die slechts in eene bepaalde mate uit.

  22. Ayah 22

    وَأَرْسَلْنَا الرِّيَاحَ لَوَاقِحَ فَأَنزَلْنَا مِنَ السَّمَاءِ مَاءً فَأَسْقَيْنَاكُمُوهُ وَمَا أَنتُمْ لَهُ بِخَازِنِينَ

    Wij zenden ook de winden, die de bezwangerde wolken voortstuwen en wij zenden water van den hemel waarvan wij u geven te drinken, en hetwelk gij niet bewaart.

  23. Ayah 23

    وَإِنَّا لَنَحْنُ نُحْيِي وَنُمِيتُ وَنَحْنُ الْوَارِثُونَ

    Waarlijk, wij geven leven en doen sterven, en wij zijn de erfgenamen van alle dingen.

  24. Ayah 24

    وَلَقَدْ عَلِمْنَا الْمُسْتَقْدِمِينَ مِنكُمْ وَلَقَدْ عَلِمْنَا الْمُسْتَأْخِرِينَ

    Wij kennen hen die vooruit gaan, en wij kennen hen die achterblijven.

  25. Ayah 25

    وَإِنَّ رَبَّكَ هُوَ يَحْشُرُهُمْ ۚ إِنَّهُ حَكِيمٌ عَلِيمٌ

    En uw Heer zal hen op den laatsten dag verzamelen; want hij is alwetend en wijs.

  26. Ayah 26

    وَلَقَدْ خَلَقْنَا الْإِنسَانَ مِن صَلْصَالٍ مِّنْ حَمَإٍ مَّسْنُونٍ

    Wij schiepen den mensch van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gebracht.

  27. Ayah 27

    وَالْجَانَّ خَلَقْنَاهُ مِن قَبْلُ مِن نَّارِ السَّمُومِ

    Vóór hem hadden wij reeds de geniussen uit een fijn vuur gemaakt.

  28. Ayah 28

    وَإِذْ قَالَ رَبُّكَ لِلْمَلَائِكَةِ إِنِّي خَالِقٌ بَشَرًا مِّن صَلْصَالٍ مِّنْ حَمَإٍ مَّسْنُونٍ

    En gedenk, toen de Heer tot de engelen zeide: Waarlijk, ik heb den mensch geschapen van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gebracht.

  29. Ayah 29

    فَإِذَا سَوَّيْتُهُ وَنَفَخْتُ فِيهِ مِن رُّوحِي فَقَعُوا لَهُ سَاجِدِينَ

    Als ik hem dus volkomen gevormd en mijn geest in hem geblazen zal hebben zult gij dan voor hem nedervallen en hem aanbidden?

  30. Ayah 30

    فَسَجَدَ الْمَلَائِكَةُ كُلُّهُمْ أَجْمَعُونَ

    En al de engelen baden Adam gezamenlijk aan.

  31. Ayah 31

    إِلَّا إِبْلِيسَ أَبَىٰ أَن يَكُونَ مَعَ السَّاجِدِينَ

    Behalve Eblis, die weigerde met hen te zijn, welke hem aanbaden.

  32. Ayah 32

    قَالَ يَا إِبْلِيسُ مَا لَكَ أَلَّا تَكُونَ مَعَ السَّاجِدِينَ

    En God zeide tot hem: Wat verhindert u met degenen te zijn, die Adam aanbidden?

  33. Ayah 33

    قَالَ لَمْ أَكُن لِّأَسْجُدَ لِبَشَرٍ خَلَقْتَهُ مِن صَلْصَالٍ مِّنْ حَمَإٍ مَّسْنُونٍ

    Hij antwoordde: Ik zal den mensch niet aanbidden; dien gij gevormd hebt van gedroogde klei, van zwart slijk, in een vorm gekneed.

  34. Ayah 34

    قَالَ فَاخْرُجْ مِنْهَا فَإِنَّكَ رَجِيمٌ

    God zeide: Ga dus heen; want gij zult met steenen verdreven worden.

  35. Ayah 35

    وَإِنَّ عَلَيْكَ اللَّعْنَةَ إِلَىٰ يَوْمِ الدِّينِ

    En een vloek zal op u rusten tot op den dag des oordeels.

  36. Ayah 36

    قَالَ رَبِّ فَأَنظِرْنِي إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ

    De duivel zeide: O Heer! geef mij uitstel tot den dag der opstanding.

  37. Ayah 37

    قَالَ فَإِنَّكَ مِنَ الْمُنظَرِينَ

    God antwoordde: Waarlijk, gij zult tot hen behooren, die uitstel hebben verkregen.

  38. Ayah 38

    إِلَىٰ يَوْمِ الْوَقْتِ الْمَعْلُومِ

    Tot den dag van den bepaalden tijd.

  39. Ayah 39

    قَالَ رَبِّ بِمَا أَغْوَيْتَنِي لَأُزَيِّنَنَّ لَهُمْ فِي الْأَرْضِ وَلَأُغْوِيَنَّهُمْ أَجْمَعِينَ

    De duivel (Eblis) antwoordde: Omdat gij mij hebt nedergeworpen, zal ik het kwade behagelijk voor den mensch maken, en hen allen verleiden.

  40. Ayah 40

    إِلَّا عِبَادَكَ مِنْهُمُ الْمُخْلَصِينَ

    Uwe oprechte dienaren zullen alleen gespaard worden.

  41. Ayah 41

    قَالَ هَـٰذَا صِرَاطٌ عَلَيَّ مُسْتَقِيمٌ

    God zeide: Dit is de rechte weg.

  42. Ayah 42

    إِنَّ عِبَادِي لَيْسَ لَكَ عَلَيْهِمْ سُلْطَانٌ إِلَّا مَنِ اتَّبَعَكَ مِنَ الْغَاوِينَ

    Wat mijne dienaren betreft, gij zult geene macht over hen hebben; maar alleen over hen, die verleid zullen worden en die u zullen volgen.

  43. Ayah 43

    وَإِنَّ جَهَنَّمَ لَمَوْعِدُهُمْ أَجْمَعِينَ

    De hel is zekerlijk voor hen allen bestemd.

  44. Ayah 44

    لَهَا سَبْعَةُ أَبْوَابٍ لِّكُلِّ بَابٍ مِّنْهُمْ جُزْءٌ مَّقْسُومٌ

    Zij heeft zeven ingangen; voor iederen ingang zal een bijzonder aantal hunner worden aangewezen.

  45. Ayah 45

    إِنَّ الْمُتَّقِينَ فِي جَنَّاتٍ وَعُيُونٍ

    Maar zij, die God vreezen, zullen in tuinen wonen, te midden van fonteinen.

  46. Ayah 46

    ادْخُلُوهَا بِسَلَامٍ آمِنِينَ

    De engelen zullen tot hen zeggen: Treedt hier binnen in vrede en zekerheid.

  47. Ayah 47

    وَنَزَعْنَا مَا فِي صُدُورِهِم مِّنْ غِلٍّ إِخْوَانًا عَلَىٰ سُرُرٍ مُّتَقَابِلِينَ

    Wij zullen alle valschheid uit hunne harten wegnemen. Zij zullen als broeders zijn, en tegen over elkander zitten op rustbanken.

  48. Ayah 48

    لَا يَمَسُّهُمْ فِيهَا نَصَبٌ وَمَا هُم مِّنْهَا بِمُخْرَجِينَ

    Geene vermoeienis zal hen kwellen, en nimmer zullen zij uit die woonplaats worden geworpen.

  49. Ayah 49

    نَبِّئْ عِبَادِي أَنِّي أَنَا الْغَفُورُ الرَّحِيمُ

    Verklaar mijne dienaren, dat ik de genadige, de barmhartige God ben.

  50. Ayah 50

    وَأَنَّ عَذَابِي هُوَ الْعَذَابُ الْأَلِيمُ

    En dat mijne straf eene gestrenge straf is.

  51. Ayah 51

    وَنَبِّئْهُمْ عَن ضَيْفِ إِبْرَاهِيمَ

    En verhaal hun de geschiedenis van de gasten van Abraham.

  52. Ayah 52

    إِذْ دَخَلُوا عَلَيْهِ فَقَالُوا سَلَامًا قَالَ إِنَّا مِنكُمْ وَجِلُونَ

    Toen zij bij hem binnentraden en hem groetten, zeide hij: Gij hebt ons bevreesd gemaakt.

  53. Ayah 53

    قَالُوا لَا تَوْجَلْ إِنَّا نُبَشِّرُكَ بِغُلَامٍ عَلِيمٍ

    En zij antwoordden: Vrees niets: wij brengen u de belofte van een wijzen zoon.

  54. Ayah 54

    قَالَ أَبَشَّرْتُمُونِي عَلَىٰ أَن مَّسَّنِيَ الْكِبَرُ فَبِمَ تُبَشِّرُونَ

    Hij zeide: Brengt gij mij de belofte van een zoon, nu ik oud geworden ben? Wat verhaalt gij mij derhalve?

  55. Ayah 55

    قَالُوا بَشَّرْنَاكَ بِالْحَقِّ فَلَا تَكُن مِّنَ الْقَانِطِينَ

    Zij zeiden: Wij hebben u de waarheid verhaald; wanhoop dus niet.

  56. Ayah 56

    قَالَ وَمَن يَقْنَطُ مِن رَّحْمَةِ رَبِّهِ إِلَّا الضَّالُّونَ

    Hij antwoordde: En wie wanhoopt aan Gods genade, behalve zij die dwalen?

  57. Ayah 57

    قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا الْمُرْسَلُونَ

    En hij zeide: Wat is dus uwe zending, o gezanten van God?

  58. Ayah 58

    قَالُوا إِنَّا أُرْسِلْنَا إِلَىٰ قَوْمٍ مُّجْرِمِينَ

    Zij antwoordden: Waarlijk, wij werden gezonden om een zondig volk te verdelgen.

  59. Ayah 59

    إِلَّا آلَ لُوطٍ إِنَّا لَمُنَجُّوهُمْ أَجْمَعِينَ

    Maar wat de leden van Lots gezin betreft, zullen wij allen redden.

  60. Ayah 60

    إِلَّا امْرَأَتَهُ قَدَّرْنَا ۙ إِنَّهَا لَمِنَ الْغَابِرِينَ

    Uitgenomen zijne vrouw. Wij hebben besloten, dat zij zal achterblijven om met de ongeloovigen te worden verwoest.

  61. Ayah 61

    فَلَمَّا جَاءَ آلَ لُوطٍ الْمُرْسَلُونَ

    En toen de boodschappers tot het gezin van Lot kwamen,

  62. Ayah 62

    قَالَ إِنَّكُمْ قَوْمٌ مُّنكَرُونَ

    Zeide hij tot hen: Waarlijk, gij zijt een volk, dat mij onbekend is.

  63. Ayah 63

    قَالُوا بَلْ جِئْنَاكَ بِمَا كَانُوا فِيهِ يَمْتَرُونَ

    Zij antwoordden: Maar wij zijn tot u gekomen om de straf uit te voeren, waaromtrent uwe medeburgers in twijfel verkeeren.

  64. Ayah 64

    وَأَتَيْنَاكَ بِالْحَقِّ وَإِنَّا لَصَادِقُونَ

    Wij verhalen u eene zekere waarheid, en wij zijn gezanten der waarheid.

  65. Ayah 65

    فَأَسْرِ بِأَهْلِكَ بِقِطْعٍ مِّنَ اللَّيْلِ وَاتَّبِعْ أَدْبَارَهُمْ وَلَا يَلْتَفِتْ مِنكُمْ أَحَدٌ وَامْضُوا حَيْثُ تُؤْمَرُونَ

    Breng dus uw gezin gedurende den nacht weg, en volg gij achter hen; en laat zich niemand uwer omkeeren, maar ga waarheen men u beveelt.

  66. Ayah 66

    وَقَضَيْنَا إِلَيْهِ ذَٰلِكَ الْأَمْرَ أَنَّ دَابِرَ هَـٰؤُلَاءِ مَقْطُوعٌ مُّصْبِحِينَ

    En wij gaven hem dit bevel, daar dit volk, tot op den laatsten man, vóór den volgenden dag moest zijn verdelgd.

  67. Ayah 67

    وَجَاءَ أَهْلُ الْمَدِينَةِ يَسْتَبْشِرُونَ

    En de bewoners der stad kwamen tot Lot, zich verblijdende in het nieuws der aankomst van vreemdelingen.

  68. Ayah 68

    قَالَ إِنَّ هَـٰؤُلَاءِ ضَيْفِي فَلَا تَفْضَحُونِ

    En hij zeide tot hen: Waarlijk, dit zijn mijne gasten; doe mij dus niet in ongenade vervallen, door hen te misbruiken.

  69. Ayah 69

    وَاتَّقُوا اللَّهَ وَلَا تُخْزُونِ

    Maar vreest God en bedekt mij niet met schande.

  70. Ayah 70

    قَالُوا أَوَلَمْ نَنْهَكَ عَنِ الْعَالَمِينَ

    Zij antwoordden: Hebben wij u niet verboden een mensch te ondersteunen?

  71. Ayah 71

    قَالَ هَـٰؤُلَاءِ بَنَاتِي إِن كُنتُمْ فَاعِلِينَ

    Lot hernam: Dit zijn mijne dochters, maak dus eerder van haar gebruik, indien gij vast besloten hebt nopens hetgeen gij wilt doen.

  72. Ayah 72

    لَعَمْرُكَ إِنَّهُمْ لَفِي سَكْرَتِهِمْ يَعْمَهُونَ

    Zoo waar gij leeft, zij dwaalden in beschonkenheid.

  73. Ayah 73

    فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ مُشْرِقِينَ

    Daarom overviel hun een vreeselijke storm van den hemel, bij het opgaan der zon.

  74. Ayah 74

    فَجَعَلْنَا عَالِيَهَا سَافِلَهَا وَأَمْطَرْنَا عَلَيْهِمْ حِجَارَةً مِّن سِجِّيلٍ

    En wij keerden de stad ten onderste boven en lieten er een regen op nedervallen van steenen uit gebakken klei.

  75. Ayah 75

    إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَاتٍ لِّلْمُتَوَسِّمِينَ

    Waarlijk, daarin zijn teekens voor de menschen, die deze aandachtig nagaan.

  76. Ayah 76

    وَإِنَّهَا لَبِسَبِيلٍ مُّقِيمٍ

    En deze steden werden gestraft, tot het banen van een rechten weg voor den mensch, om dien te bewandelen.

  77. Ayah 77

    إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَآيَةً لِّلْمُؤْمِنِينَ

    Waarlijk, hierin is een teeken voor de ware geloovigen.

  78. Ayah 78

    وَإِن كَانَ أَصْحَابُ الْأَيْكَةِ لَظَالِمِينَ

    De bewoners van het bosch van Midian waren mede goddeloos.

  79. Ayah 79

    فَانتَقَمْنَا مِنْهُمْ وَإِنَّهُمَا لَبِإِمَامٍ مُّبِينٍ

    Daarom namen wij wraak op hen. En zij werden beide verdelgd, om als een duidelijk voorbeeld te dienen voor de menschen, ten einde daarnaar hunne daden te richten.

  80. Ayah 80

    وَلَقَدْ كَذَّبَ أَصْحَابُ الْحِجْرِ الْمُرْسَلِينَ

    En de bewoners van Al Hedjr beschuldigden Gods gezanten eveneens van bedrog.

  81. Ayah 81

    وَآتَيْنَاهُمْ آيَاتِنَا فَكَانُوا عَنْهَا مُعْرِضِينَ

    En wij toonden hun onze teekens; maar zij wendden zich ver daarvan af.

  82. Ayah 82

    وَكَانُوا يَنْحِتُونَ مِنَ الْجِبَالِ بُيُوتًا آمِنِينَ

    Zij hieuwen huizen in de bergen uit om zich te beveiligen.

  83. Ayah 83

    فَأَخَذَتْهُمُ الصَّيْحَةُ مُصْبِحِينَ

    Maar een vreeselijk onweder van den hemel overviel hen des morgens.

  84. Ayah 84

    فَمَا أَغْنَىٰ عَنْهُم مَّا كَانُوا يَكْسِبُونَ

    Wat zij gedaan hadden, was volstrekt niet voordeelig voor hen.

  85. Ayah 85

    وَمَا خَلَقْنَا السَّمَاوَاتِ وَالْأَرْضَ وَمَا بَيْنَهُمَا إِلَّا بِالْحَقِّ ۗ وَإِنَّ السَّاعَةَ لَآتِيَةٌ ۖ فَاصْفَحِ الصَّفْحَ الْجَمِيلَ

    Wij hebben de hemelen en de aarde, en wat zich daartusschen bevindt, niet dan in onrechtvaardigheid en niet te vergeefs geschapen, en het uur des oordeels zal zekerlijk komen. Vergeef dus uw volk, o Mahomet! met eene barmhartige vergiffenis.

  86. Ayah 86

    إِنَّ رَبَّكَ هُوَ الْخَلَّاقُ الْعَلِيمُ

    Waarlijk, uw Heer is de schepper van u en van hen, en weet wat het nuttigste is.

  87. Ayah 87

    وَلَقَدْ آتَيْنَاكَ سَبْعًا مِّنَ الْمَثَانِي وَالْقُرْآنَ الْعَظِيمَ

    Wij hebben u reeds zeven verzen gebracht, die dikwijls moesten worden herhaald, en den heerlijken Koran.

  88. Ayah 88

    لَا تَمُدَّنَّ عَيْنَيْكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعْنَا بِهِ أَزْوَاجًا مِّنْهُمْ وَلَا تَحْزَنْ عَلَيْهِمْ وَاخْفِضْ جَنَاحَكَ لِلْمُؤْمِنِينَ

    Werp uwe blikken niet op de goede dingen, welke wij aan onderscheidenen der ongeloovigen hebben geschonken, en begeer die niet. Wees nimmer bedroefd over hen. Gedraag u zachtmoedig omtrent de ware geloovigen.

  89. Ayah 89

    وَقُلْ إِنِّي أَنَا النَّذِيرُ الْمُبِينُ

    Zeg hun: Waarlijk, ik ben een openbaar prediker.

  90. Ayah 90

    كَمَا أَنزَلْنَا عَلَى الْمُقْتَسِمِينَ

    Indien zij niet gelooven, zullen wij hun eene gelijke straf opleggen, als aan de verdeelers.

  91. Ayah 91

    الَّذِينَ جَعَلُوا الْقُرْآنَ عِضِينَ

    Die den Koran in verschillende deelen onderscheiden.

  92. Ayah 92

    فَوَرَبِّكَ لَنَسْأَلَنَّهُمْ أَجْمَعِينَ

    Want door uw Heer, o Mahomet! zullen wij hen ondervragen.

  93. Ayah 93

    عَمَّا كَانُوا يَعْمَلُونَ

    Nopens al hunne daden.

  94. Ayah 94

    فَاصْدَعْ بِمَا تُؤْمَرُ وَأَعْرِضْ عَنِ الْمُشْرِكِينَ

    Openbaar dus wat u werd bevolen en, wend u af van de afgodendienaars.

  95. Ayah 95

    إِنَّا كَفَيْنَاكَ الْمُسْتَهْزِئِينَ

    Wij zullen u zekerlijk bijstaan tegen de spotters.

  96. Ayah 96

    الَّذِينَ يَجْعَلُونَ مَعَ اللَّهِ إِلَـٰهًا آخَرَ ۚ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ

    Die een anderen God met God vereenigen. Zij zullen zekerlijk hunne dwaasheid kennen.

  97. Ayah 97

    وَلَقَدْ نَعْلَمُ أَنَّكَ يَضِيقُ صَدْرُكَ بِمَا يَقُولُونَ

    En wij weten, dat gij diep gegriefd zijt door het verhaal van hetgeen zij zeggen.

  98. Ayah 98

    فَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ وَكُن مِّنَ السَّاجِدِينَ

    Maar verheerlijk den lof van uwen Heer en aanbid hem.

  99. Ayah 99

    وَاعْبُدْ رَبَّكَ حَتَّىٰ يَأْتِيَكَ الْيَقِينُ

    En dien uwen Heer, tot de dood u overvalt.

About the Quran

The Quran

The Quran is the holy scripture of Islam. Muslims believe that it is the literal word of Allah (سُبْحَانَهُ وَتَعَالَى), revealed to the Prophet Muhammad (صلى الله عليه وسلم) over a period of 23 years. The Quran is composed of 114 Surahs (chapters) and contains 6,236 Ayat (verses). Muslim beliefs and practices are based on the Quran and the Sunnah, the teachings and example of the Prophet Muhammad (صلى الله عليه وسلم).

The Kaaba in Mecca
A mosque in South America

Meccan Surahs

The Meccan Surahs are the earliest revelations sent down to the Prophet Muhammad (صلى الله عليه وسلم). They were revealed in Mecca, hence their name. These revelations form the foundation of the Islamic faith and contain guidance for Muslims on how to live their lives. The Meccan Surahs are also notable for their poetic beauty and lyrical prose.

Medinan Surahs

The Medinan Surahs are the later Surahs that, according to Islamic tradition, were revealed in Medina after the Prophet Muhammad's (صلى الله عليه وسلم) hijra from Mecca. They were revealed by Allah (سبحانه و تعالى) when the Muslim community was larger and more developed, as opposed to their minority position in Mecca.

Stay connected

Receive regular updates

New features, translations and reminders from AskTheQuran, straight to your inbox.

We use Mailchimp to send updates. You can unsubscribe at any time. See our privacy policy.

We may receive a commission if you click on a link and buy a product, service or similar, at no extra cost to you. Details are in the disclosure policy.